Het dikke rapport leest als een trein: ‘de grond wordt duur betaald‘ is een aanrader. Duidelijk wordt hoe de gemeente Apeldoorn vele m2 grond voor miljoenen euro’s aankocht. Hoe ambtenaren, wethouders en raadsleden daar mee omgingen en natuurlijk wat het gevolg is: een verlies van tientallen miljoenen euro’s omdat de grond te laat, tegen een lagere prijs of soms wel nooit meer verkocht kan worden. Sinds gisterenavond weten we ook het politieke gevolg: alle wethouders zijn opgestapt en willen daarmee ruimte maken voor een nieuwe bestuurscultuur. Welke lessen zijn er te formuleren die voor Nijmegen waardevol kunnen zijn? Een belangrijke en uiterst actuele vraag, omdat beide gemeenten bijna evengroot zijn en ook in Nijmegen flink wat grond is aangekocht voor nieuwe woningen en voorzieningen.Vooropgesteld: het rapport kent 284 bladzijden en kent zoveel informatie dat het nauwelijks te bevatten is. De raadsvergaderingen heb ik heel beperkt en de openbare verhoren niet gevolgd. Ik pretendeer dan ook niet dat ik op deze blog alle lessen formuleer en dat ik volledig ben. En ik wil ook niet vooruitlopen op het onderzoek van de Nijmeegse rekenkamer dat dit jaar gestart is en in de zomer afgerond zal zijn. Zowel in Apeldoorn als in Nijmegen gaat het onderzoek over (enkele) grondexploitaties, de verantwoording aan de raad (door het college) maar ook of de raad voldoende controlerend is geweest. Bij het lezen vond ik vier zaken cruciaal die ik als les voor andere gemeenten wil formuleren. Ook voor Nijmegen natuurlijk. Ik zal per les aangeven hoe ik vind dat Nijmegen het doet.

Les 1: maak nooit een directe (en zeker geen structurele) koppeling tussen de opbrengsten van het grondbedrijf en de algemene begroting. Het Apeldoornse grondbedrijf moest ieder jaar een bedrag van 9 miljoen euro afdragen aan de algemene gemeentekas. Daar konden dan andere projecten en uitgaven van worden betaald. Dit bedrag was taakstellend, wat wil zeggen dat het vaststond, hoe goed of hoe slecht het grondbedrijf er ook financieel voor stond. (blz. 23). Deze les is al geleerd in Nijmegen: de algemene begroting in Nijmegen is niet gekoppeld aan de opbrengsten / reserve van het grondbedrijf.

Les 2: zorg voor realistische prognoses over de bevolkingsgroei en stem de afzet van gronden af op de feitelijke vraag. In Apeldoorn was de planning van het aantal gewenste woningen behoorlijk optimistisch. Er was ook discussie over met de provincie Gelderland. Nieuwe inzichten in bevolkingsprognoses zijn niet doorgevoerd in de afzet van bouwgrond. Oftewel: de vraag naar grond nam af maar alle exploitaties gingen gewoon door in hetzelfde tempo. (blz. 24) Ik constateer dat voor de belangrijkste grondexploitaties in Nijmegen de afzet van gronden de afgelopen jaren meerdere malen naar beneden is bijgesteld. Wilden we in de Waalsprong eerst nog meer dan 1.000 kavels verkopen, nu is dat teruggebracht naar 400 per jaar. Ook stel ik vast dat de groeicijfers van Nijmegen door alle deskundige instanties zoals de provincie, CBS en Centraal Planbureau eenduidig zijn. Hierover is weinig discussie: Nijmegen groeit tot 2040.

Les 3: zorg voor prioriteit tussen verschillende ontwikkelingsgebieden, creëer als overheid schaarste. In de planning van alle Apeldoornse bouwprojecten is onvoldoende prioriteit aangebracht. Alle geplande projecten moesten doorgaan. En dus wordt er overal grond aangekocht, stijgen de rentelasten sterk, en komen de planexploitaties onder druk te staan. (blz. 25) Hoewel ik niet het totaaloverzicht heb op de feitelijke aantallen bouwplannen en de spreiding over de stad, constateer ik wel dat in elk geval de laatste jaren  er een duidelijke keuze is gemaakt in ontwikkelstrategie van Nijmegen: Waalsprong, Waalfront en het stationsgebied hebben prioriteit. Nieuwbouwplannen elders in de stad worden op een lager pitje gezet, mede om groene plekken in de stad te behouden.

Les 4: De gemeenteraad moet actief de verantwoordelijkheid nemen voor de (controle op) financiële positie van het grondbedrijf. In Apeldoorn verschijnt na 2002 geen nota financiële positie grondbedrijf. Met de invoering van het dualisme wordt het grondbedrijf vooral gezien als een verantwoordelijkheid van het college. En als in 2009 uiteindelijk dan het rapport verschijnt, dan worden de zaken te rooskleurig of juist te negatief geschetst (blz. 33). De gemeenteraad gaat er vanuit dat steeds de meest actuele status worden vermeld. Maar dat blijkt niet zo te zijn. Ook is het feitelijk niet mogelijk om te beoordelen of de financiële cijfers voor de totale grondportefeuille gefundeerd waren op planningsrealisme. Er was zelfs niet duidelijk wat het totale programma aan woningbouw en bedrijventerreinen was (blz. 60). In Nijmegen ontvangt de raad 2x per jaar een ‘voortgangsrapportage grote projecten’. Hierin staan de financiële gegevens en risico’s per planexploitatie. In dit document is nog geen goed totaaloverzicht te vinden van alle exploitaties en wordt ook niet duidelijk of de afzet van grond of woningen op schema ligt. In het rapport komt de dimensie ‘tijd’ nauwelijks aan bod. Deze les uit Apeldoorn is iets om als gemeenteraad op te pakken!

Al lezende in het rapport ‘de grond wordt duur betaald’ komt ik tot de conclusie dat er een aantal essentiële zaken die in Apeldoorn misgingen, in Nijmegen gelukkig anders zijn geregeld. Dat is ook de reden dat tot nu toe alle grondexploitaties (dus ook die van het Waalfront en de Waalsprong!) sluitend zijn = niet op verlies staan en de reserve van het grondbedrijf de komende jaren oploopt. Met de lessen uit Apeldoorn kan de gemeenteraad scherp blijven toezien op de ontwikkelingen van het grondbedrijf. En hopelijk biedt ook het onderzoek van de Nijmeegse rekenkamer ons goede aanbevelingen. Wanneer we  hier na de zomer in de gemeenteraad over spreken hoop ik overigens dat we inhoud van het onderzoek meer aan de orde laten komen dan in Apeldoorn. Daar ging het debat vooral over de positie van wethouders en kwamen de conclusies en aanbevelingen van het rapport nauwelijks ter sprake. Ook dat is een les die we kunnen trekken.

Al met al hebben we ook in Nijmegen geen garanties voor de toekomst en het is onbekend hoe lang de economische crisis, zeker die in de vastgoed- en bouwsector, nog aanhoudt. In Apeldoorn is niet voor niets geconstateerd dat de economische crisis de bestaande problemen met het grondbedrijf manifest heeft gemaakt en versterkt. Maar ook werd gesteld dat de problemen van voor die tijd waren. Gezien bovenstaande  analyse geeft mij dat geen garantie maar wel vertrouwen voor de toekomst van Nijmegen.